Ich bin ein muzikant

Gisteren zag ik een stukje uit een gesprek tussen Kim Gordon (bassist/zangeres van Sonic Youth) en Carrie Brownstein (gitarist/zangeres van Sleater-Kinney).

KG: ‘Ik vind het moeilijk om mezelf muzikant te noemen.’
CB: ‘Ik ook! Dat maakt het zo officieel. Oefen je wel eens op je instrument?’
KG: ‘Neuh. Ja, ik repeteer met de band. Maar ik heb nog nooit thuis geoefend.’

Alhoewel het verder best een suffig gesprek was, bleef dit hangen. Ik vind het ook moeilijk om mezelf muzikant te noemen. Dat is best raar: ik maak muziek sinds het moment dat ik kon zitten en met mijn vuisten op pianotoetsen kon rammen, en ik verdien er inmiddels alweer een tijdje mijn brood mee. Toch voel ik nog altijd een reserve wanneer iemand vraagt wat ik voor de kost doe. ‘Van alles’, zeg ik dan.

En dat is natuurlijk óók waar. Ik schrijf stukjes, praat in de media over dingen, werk aan een boek, en – oh ja – ik maak ook nog muziek. Vorige week kwam mijn nieuwe single (Zal ik dan, met Tom Kestens) uit, en zag ik weer een flink aantal reacties voorbijkomen à la: “Hee, ik wist niet dat jij ook muziek maakte! Ik ken je alleen van twitter!” Dat is tekenend: tuurlijk heb ik het op de sociale media over mijn muziek, maar uit angst dat mijn volgers me een spammerd vinden, of arrogant, tweet ik niet teveel over mijn eigen product en retweet ik zelden complimenten. Het gevolg: mensen kennen me als die chick die de hele dag grapjes en verontwaardigde opmerkingen maakt op twitter, en wanneer ze me op de radio horen is het van huh, wait what?!

Oefenen, oefenen…

Waarom vind ik het zo moeilijk om hardop te zeggen dat ik muzikant ben? De vraag is natuurlijk wat iemand in mijn ogen een muzikant maakt. Toen ik opgroeide was dat simpel. Mijn ouders hadden conservatoriumdiploma’s en vaste banen als muzikant. Muziek is waar ze zich dag in, dag uit mee bezig houden. Echte muzikanten, kortom. Dus toen ik piano en harp ging spelen en dat goed ging, was het logische te bewandelen pad ook om veel te oefenen zodat ik naar het conservatorium zou kunnen gaan en muzikant zou kunnen worden.

Al snel bleken daar wat haken en ogen aan te zitten. Ik voelde al snel dat ik niet echt een instrumentalist ben: ik werd benauwd als ik eraan dacht dat ik de rest van mijn leven uren per dag toonladdertjes zou moeten studeren om zo goed mogelijk te zijn (en te blijven) op mijn instrument. Daarnaast ontdekte ik als kind al dat ik een passie heb die het zo-goed-mogelijk-kunnen-bespelen-van-een-instrument overstijgt: componeren.

Zo lang als ik me kan herinneren heb ik dag en nacht muziek in mijn hoofd. Soms heel luid en dwingend, soms op de achtergrond. Soms is het bestaande muziek, vaker is het iets dat nog niet bestaat. Soms is het zo aanwezig dat ik me niet kan concentreren op andere dingen, omdat ik het moet laten uitspelen en er zo goed mogelijk naar moet luisteren. Wanneer het iets is dat ik kan gebruiken schrijf ik het meteen op (in notenschrift, heel ouderwets), als ik niks voorhanden heb om op te schrijven dan herhaal ik het in mijn hoofd tot ik zeker weet dat ik het niet vergeet.  Vaak zit ik zwijgend naast Bram in de auto en weet hij dat ‘ie zijn mond moet houden omdat ik een liedje “heb”. Net zo vaak dwing ik mezelf net voordat ik in slaap val weer wakker te worden om toch nog even op te schrijven wat er speelt. Het horen, bedenken, registreren en opschrijven van muziek is niet mijn tweede, maar mijn eerste natuur.

Conservatoriumkids

Een echte muzikant was ik dus niet, want ik had niet het doorzettingsvermogen om naar het conservatorium te gaan. Althans, zo zag ik het zelf toen ik besloot te stoppen met de vooropleiding (harp) en een punkband te beginnen. Zo’n bandje, dat is wel leuk, maar dat is natuurlijk een hobby. Toen niemand in de band echt behoefte had om te zingen besloot ik het zelf maar te doen. Was ik een zangeres? Neuh. Een zangeres is iemand die veel beter zingt dan ik, en die altijd al zangeres heeft willen zijn. In mijn geval was het stom toeval.

Niet veel later ging ik tóch naar het conservatorium, om compositie te studeren. Ik werd componist. Zo durf ik mezelf soms wel te noemen, al verdien ik mijn geld niet met het schrijven van atonale strijkkwartetten. Een muzikant was ik nog steeds niet, want tijdens mijn studie zat ik constant achter mijn laptop nootjes te tikken, zelf spelen deed ik steeds minder.

Pas in 2010 ging ik weer echt spelen. Veel spelen. Ik had een hele stapel ongebruikte liedjes waarvan ik het zonde vond om ze weg te gooien, en ik besloot ze dan maar zelf ten gehore te brengen. Het spelen bracht troost, verlichting, en invulling. De liedjes groeiden uit tot mijn debuutalbum. Sindsdien ben ik niet meer gestopt met spelen.

Podiumbeestjes

Een muzikant is in mijn ogen ook iemand die zich thuis voelt op een podium. Ik heb een haat-liefde-verhouding met podia. Als kind moest ik soms bijna overgeven van de zenuwen voor een voorspeelavond, en nog steeds zijn er momenten dat ik vlak voor een show backstage het gevoel heb dat ik ALLES liever zou doen dan daar zijn. Tegelijkertijd ken ik niks dat zoveel adrenaline geeft als een show waarin het publiek me boven mezelf uit tilt. Toen ik 17 was en de eerste optredens deed met mijn band, werd ik soms gek van het idee dat iedereen verwachtte dat ik heel rock ’n roll zou dansen en bewegen op het podium. Ik wist niet eens wat ik met mijn handen aanmoest… mic vasthouden? In m’n zakken? Damn, zo awkward. Een muzikant, ik? Nou, nee.

Pas heel recent begin ik te voelen dat ik me ook lichamelijk echt op m’n plek voel wanneer ik het podium betreed. (solo had ik dat al een tijdje langer, maar dat heeft ermee te maken dat ik dan slap kan ouwehoeren tussendoor, en op de een of andere manier gaat me dat goed af) Dat is sinds ik oude synthesizers bedien alsof ik in een cockpit sta, sinds ik me de knopjes eigen heb gemaakt, en sinds ik werk met een vaste geluidstechnicus waardoor ik lekker geluid heb wanneer ik sta te spelen. Opeens sta ik te dansen, en voel ik dat ik tot leven kom. Het heeft even geduurd, maar ik kan eindelijk zeggen dat ik sta te spelen voor mijn plezier, en niet omdat optreden er nou eenmaal bij hoort.

Ich bin…

En zo kwam ik gisteren opeens tot de conclusie: het wordt tijd om mezelf muzikant te gaan noemen. Ik ben iemand die muziek maakt. De hele dag. Mensen mogen mij daar best van kennen, dat is helemaal prima. Ik hoef niet meer bescheiden te doen, te zeggen dat ik mijn eigen nummers speel omdat niemand anders het doet – nee, ik speel omdat ik dat fijn vind. En ik doe het nog best aardig ook – al kan thuis oefenen nog steeds geen kwaad, kinders!

mijn eerste pianoles, way back when, van papa

Een reactie op “Ich bin ein muzikant”

  1. Henk van Hierden schreef:

    Ik heb je zolang ik je ken als muzikant gezien en een verrekt goeie ook. Dit stuk geeft goed aan hoe divers je bent en daarmee hebt geworsteld. Maar jouw composities en teksten zijn voor mij leidend voor wie je bent.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *