Roze wolk? Yeah, sure…

‘Ben je blij dat je hier bent?’, vraagt de maatschappelijk werkster van achter haar bureau. Ik knik, veeg tranen weg en probeer het oncontroleerbare trillen van mijn benen te stoppen. Bram houdt mijn hand vast. ‘Je had het je vast anders voorgesteld, of niet?’ Ik knik weer. Het huilen duurt nu al zo lang dat ik er hoofdpijn van heb gekregen. ‘Dat snap ik wel. Je hebt depressieve klachten, lees ik hier. Kun je daar iets over vertellen?’

‘Ik wilde zo graag zwanger worden, maar als dit het is, dan haal het maar weer weg. En anders wil ik dood, want ik hou dit niet vol.’ Mijn stem klinkt vreemd, alsof ‘ie vanuit een naastliggende kamer komt.

In de wachtkamer probeer ik mijn gezicht te verbergen voor de andere aanstaande moeders. Ze kijken me met medelijden aan. Denken vast dat er iets mis is met het erwtje dat in mijn buik groeit. Ze moesten eens weten. Met het erwtje gaat alles goed, met mij alles fout. De andere stelletjes lijken te stralen. Ze wrijven over hun buik, kijken elkaar verwachtingsvol aan. Ik red het niet, en barst in tranen uit. Alweer. ‘Ze zijn allemaal blij’, snik ik. Bram pakt me vast. ‘Ik wil ook blij zijn. Waarom kan ik nooit blij zijn?’ Bram drukt me tegen zich aan. ‘Dat komt wel weer. Heus.’

 

Kinderwensje

Op de dag dat we besloten voor elkaar te kiezen, lag ik in een ziekenhuisbed. Depressief. Toen, daar, op dat moment, spraken we alle zaken door die van belang waren. Als we voor elkaar kozen, dan kregen we elkaars depressies erbij. Zoveel was duidelijk. We wilden allebei een kind. Eentje maar, ja, dat leek ons al ingewikkeld genoeg. De keuze zou voor altijd zijn, en onvoorwaardelijk. We zouden ons leven lang voor elkaar zorgen, eerlijk zijn, en blijven vechten. We zeiden toen ja tegen elkaar. Een jaar later deden we dat weer, toen we trouwden. En nog weer een jaar later probeerden we zwanger te worden. Zeven maanden duurde het. Tot die ene maand dat ik het even beu was om uit te tellen wanneer het het handigst was, en ik gewoon weer lekker veel biertjes dronk. Toen bleek het opeens raak. Ik stond in de keuken, de test in mijn hand, en begon te hyperventileren van angst en opluchting.

Twee weken later zouden we naar Amerika vliegen. Onze eerste en laatste verre vakantie samen, in ieder geval voorlopig. We hadden ons er al een half jaar op verheugd, alles zorgvuldig uitgedacht. Bram zou lezingen geven op Berkeley, ik zou muziekbobo’s ontmoeten. We zouden een fantastische roadtrip maken door Californië. Maar de dag voor ons vertrek zit ik in de auto, en praat tegen mezelf. ‘Je gaat niet aan het stuur trekken. Je blijft op deze baan. Je gaat niet tegen de vangrail. Ook niet tegen die brug. Gewoon rechtdoor. Rechtdoor. Rechtdoor.’ In Leiden parkeer ik naast de uni, en stap uit. Verdwaasd loop ik rondjes. Ik zie studenten naar me kijken, en hun blikken doen me vermoeden dat ik er niet goed uitzie. Pas als ik Bram zie kan ik dieper ademhalen. Ik pak hem vast, en laat hem niet meer los.

’s Avonds zitten we op de crisisdienst. Ik ken deze gang, ik ben hier eerder geweest. De psychiater en psycholoog die ons meenemen naar één van de onpersoonlijk witte spreekkamers kijken bezorgd. Ze vragen me wat ik voel, maar het is moeilijk om totale wanhoop onder woorden te brengen. Na een half uur zijn ze stellig: voor een maand naar de andere kant van de wereld vliegen is in mijn toestand geen optie. Een levensgroot schuldgevoel maakt zich van me meester.

 

Buikgriep Des Doods

De dagen erna word ik wakker in koortsachtige paniek. De misselijkheid is onvergelijkbaar met enige andere misselijkheid die ik ooit voelde. Zeurderig, alomtegenwoordig. Ik kots de longen uit mijn lijf. Het is vreemd te merken dat ik me niet meer thuis voel in mijn lichaam. Het lichaam dat ik altijd dacht te kennen als mijn broekzak maakt opeens geheel zelfstandig allerlei vreemde beslissingen waar ik het totaal niet mee eens ben. Het kotst, is moe, het zwelt op. Het zorgt niet langer voor mij, maar alleen nog voor dat ding in mijn buik. Ik herken mezelf niet. En hoe graag ik ook een kind wil: deze situatie ga ik geen dagen volhouden. Laat staan negen maanden.

In het ziekenhuis en op de crisisdienst zijn ze eensgezind: ik moet doorbijten. Dat probeer ik. Bram en mijn ouders zorgen af en aan voor me, slepen me mee om te wandelen, praten tot ik rustig word. Ik mediteer veel. Slik kalmeringsmiddelen. Probeer te eten en te slapen. Elke dag is een nieuw gevecht: hoeveel eten hou ik vandaag binnen? Hoe wanhopig ga ik zijn? Na twee lange, slopende weken volgt een eerste lichtpuntje: de misselijkheid zakt een beetje. Het overleven wordt zo iets makkelijker. Nog weer een week later gaat ook het lichtje in mijn hoofd langzaam weer aan, en kan ik overzien waar ik doorheen ben gegaan: een dikke, grijze klotewolk.

 

“Wonder”?

Mijn hele leven heb ik me verheugd op zwanger zijn. Het leek me het meest bijzondere dat je als vrouw mee kunt maken. Natuurlijk hoorde ik ook wel verhalen over misselijkheid en andere kwaaltjes, maar dat leek me bijzaak in het licht van dat Grote Wonder. Dat dat “wonder” zich zou ontpoppen als een parasiet die alle energie en levenslust uit me zou zuigen, die mogelijkheid was nooit bij me opgekomen. Misschien dat dat alles extra zwaar maakte: ik had het me totaal anders voorgesteld, en was compleet onvoorbereid.

Inmiddels gaat het al een stuk beter. Tuurlijk: ik lust nog steeds de helft van al het voedsel niet, en heb nachtmerries over pasta met rode saus (kots!). Godzijdank heb ik inmiddels de geneugten van komkommersalade ontdekt (liefst driemaal daags), en bleken rijstwafels en kamillethee een redding te zijn. Ik ben voorzichtig weer aan het werk gegaan, zo goed en kwaad als het gaat. Het idee dat ik zwanger ben begint langzaam te wennen, en ik heb de kalmeringsmiddelen afgebouwd. Maar een roze wolk? Nou, nee. Roze-grijs, op z’n best.

Een reactie op “Roze wolk? Yeah, sure…”

  1. Angela Spenkelink-meskes schreef:

    vreselijk dit, en helaas voor mij ook vreselijk herkenbaar. Ik heb dit 8 maanden gehad, vanaf 6 weken t/m de bevalling. Yuck….

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *