Tokio

We waren aan het nadenken over een clip voor mijn nieuwe single, die gaat over de lente, de zon die terugkomt, het licht dat alles verwarmt. ‘Zou Bianca niet iets kunnen maken in Tokio?’, was het idee. Japan in de lente: dat zou perfect zijn. ‘Tuurlijk wil ik een clip voor je maken’, zei Bianca, die in Tokio woont en werkt. ‘Op één voorwaarde: dat jij er ook in verschijnt.’

Opeens was ik aan het kijken naar vliegtickets naar de andere kant van de wereld. Kon dat zomaar? Man en kind een week niet zien, halsoverkop een enorme reis maken? ‘Doe het’, zei Bram. ‘Wij redden ons wel. Japan is fantastisch. Ga erheen.’ Anderhalve week geleden deed ik dus iets heel geks: ik boekte een vlucht. Zes dagen Tokio.

Ik ben een millennial, maar unlike de meeste van mijn generatiegenoten heb ik nooit gebackpackt. Sterker nog: ik reis überhaupt niet. De oorzaak? Een lange relatie waarin samen reizen geen optie was en alleen reizen tot dodelijke jaloezie en bijbehorend drama leidde, zorgde voor een ondraaglijke angst voor niet-thuiszijn. Ja, en mijn hersenen helpen ook niet echt. Inmiddels ben ik getrouwd met iemand die me blindelings vertrouwt (en vice versa), maar toen we samen naar Amerika zouden gaan werd ik zwanger, ziek en depressief, waardoor het hele feest een dag voor vertrek alsnog in het water viel.

Toen ik achttien was vloog ik naar New York, maar in de twaalf jaar daarna ben ik Europa niet uitgekomen. Een dag of vijf kamperen of skiën ging nog net, maar verder dan dat lukte niet. Ik had er ook geen behoefte aan. Al die mensen van mijn leeftijd die eindeloos konden praten over welke feesteilanden in Thailand de beste full moon party’s hebben, of waarom je naar Laos moet gaan (omdat daar nog geen backpackers zijn! schijnt): ik had een broertje dood aan ze. Ik hoefde niet te slapen tussen de kakkerlakken om mezelf te ontdekken. Laat mij maar gewoon thuis op de bank zitten.

Ik ben een doodgelukkige huismus. Maar wel eentje die nu opeens in Tokio zit. Gek genoeg was ik niet eens zenuwachtig. Misschien omdat het allemaal zo snel ging. Misschien ook omdat ik zeker weet dat Bram er nog is als ik terugkom, en dat ik naar Bianca zou gaan, die ik goed genoeg ken om ook mijn ongelukkige zelf te kunnen zijn als dat nodig is. Maar vooral omdat ik me al een lange periode ontzettend goed voel, en ik niet het idee had dat iets daar snel verandering in kon brengen, zelfs geen beam-me-up-scotty naar een onbekend continent.

Mijn vertrouwen bleek terecht, ik voel me hier prima. Sterker nog: ik vind het hier Ursul de Geer-fantastisch. Wat een verademing is deze stad. Het is hier enorm, druk, overweldigend, en toch sereen, licht en zen. De architectuur is modernistisch en functioneel, de planten subtropisch en lichtgroen, de mensen bescheiden maar open. Ondanks dat alles hier anders is, voel ik me meteen thuis. Dat is een vreemde gewaarwording voor iemand als ik: mijn bank blijkt niet het middelpunt van de wereld – er zijn oneindig veel andere plekken die exact even belangrijk zijn, en die in potentie een thuis zouden kunnen zijn.

Zie je, zo word ik toch nog zo’n kutmillennial die een ander vertelt waarom reizen zo bewustzijnsverruimend werkt. Ach, als dat het ergste is, dan is dat maar zo.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *