Subsidies voor popmuzikanten

Dit artikel verscheen op 3 augustus op de website van Vrij Nederland.

Gisteren ontstond er enige ophef toen bekend werd dat het Fonds voor de Podiumkunsten een vierjarige subsidie van ruim een miljoen toegekend heeft aan De Staat, één van Nederlands succesvolste bands. Belachelijk, zo klonk het direct op twitter en facebook. Waarom heeft een succesvolle band in godsnaam zoveel staatssteun nodig? Willen ze op vakantie naar de Malediven ofzo? En dan nog: daar verdienen ze toch meer dan genoeg geld voor?

Meteen laaide ook de aloude discussie op over de samenhang tussen subsidies en kwaliteit van kunst. Een flink aantal mensen is en blijft van mening dat kunst zelfbedruipend moet zijn: als het geen geld oplevert, dan zal het wel niet goed genoeg zijn. Die discussie wil ik hier niet voeren, daar is een andere plaats en tijd voor. Waar ik het hier over wil hebben is dat veel mensen vallen over het feit dat een popartiest subsidie krijgt. Gek genoeg lijkt men er inmiddels een beetje aan gewend dat orkesten en theatergezelschappen niet kunnen bestaan zonder subsidiekraan, maar popmuzikanten worden gezien als commerciële ondernemers, die prima hun eigen broek op kunnen houden. Sterker nog: woonde Prince niet op een enorm landgoed?

Laat me allereerst de mythe doorprikken dat popmuziek een kunstvorm is waar je wél rijk van wordt. Dat is – in Nederland althans – slechts voor een eenzame enkeling weggelegd. Het gros van de bands die je in het nationale popcircuit ziet en hoort, kunnen niet of nauwelijks rondkomen van de opbrengsten van cd-verkoop en tours. En ja: dat zijn bands die in de Melkweg spelen. Of in de Tivoli.

Lees (gratis) verder op de website van Vrij Nederland

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *